Als huizen konden spreken Aflevering 2

Nieuwe Prinsengracht 106

‘Het verleden speelt niet continu een rol, maar het is er wel.’

 Denise Citroen

‘Op Goede Vrijdag, twintig jaar geleden, wordt er aangebeld. Met mijn dochter van twee jaar op de arm loop ik naar de deur en er staat een man van een jaar of 70 op de stoep. Kennelijk voel ik direct iets aan, mijn benen beginnen te trillen. ‘Hier heb ik gewoond als kind’, zegt hij. ‘Meneer, het huis is van u’, is mijn ietwat overdreven reactie. Hij loopt meteen door naar de voorkamer, waar nu de keuken is, en herinnert zich hoe hij een zwarte vogel uit het water van de gracht zag opvliegen toen hij ziek op bed lag. Dat beeld blijft me bij. De man vertelt dat hij naar Canada is geëmigreerd, zijn ouders en zus hebben de oorlog niet overleefd. Bij het weggaan zegt hij dat de deurknop nog dezelfde is. Hij is maar tien minuten binnen geweest, ik heb niet naar zijn naam gevraagd, het was de eerste keer.’

Jos Siemerink, leraar geschiedenis in het Voortgezet Onderwijs in Amsterdam, is sinds 1980 bewoner van de begane grond met souterrain en ruime achtertuin aan de Nieuwe Prinsengracht 106. Van te voren had Jos me gewaarschuwd dat er na de nodige verbouwingen maar weinig origineels te zien zou zijn in zijn huis. De deurknop is er gelukkig nog steeds. Aan de titels in de hoge wand met boeken is af te lezen dat Jos zich samen met zijn vrouw, de vorig jaar overleden Hubertien steeds meer is gaan interesseren voor de geschiedenis van onze buurt. Jos; ‘Ik kom uit Oldenzaal, uit een katholiek gezin en ben naar Amsterdam gekomen om te studeren, wonen en werken. In de loop der jaren heb ik steeds meer oog gekregen voor de stad, voor deze buurt en ook voor de joodse geschiedenis. In deze buurt speelde de beladen geschiedenis zich af, dat besef is bij mij gegroeid. Ik vraag me af waarom het kon gebeuren en stel deze vraag ook wel hardop, in de klas.’

In de lichte achterkamer – waar eerst de keuken was – getuigen archeologische potscherven van zijn brede belangstelling: ‘Op het stuk land achter mijn tuin waarop nu de Boekmanschool staat, werd tussen 1867 en 1887 de veemarkt gehouden, op de oude Weesperbelt, een as- en vuilnisbelt. Daar zit natuurlijk van alles in de grond. Na de afbraak van de oude school ging ik graag ’s avonds daar wat spitten in de grond, de gemeente had daar geen belangstelling voor.’ Een oude tekening van een spiegelfabriek uit de 18de eeuw aan de muur straalt de landelijke sfeer uit die in deze omgeving nog heerste.

In 1889 wordt de grond van Jos’ huis bebouwd. Architect C.A. Bomberg, die in de Plantage veel gebouwd heeft, zoals De Hollandsche Schouwburg, heeft een rij van zeven identieke panden neergezet van vijf woonlagen met zolderverdieping, het onderhuis (souterrain) meegerekend. De tekeningen in de Beeldbank van het Stadsarchief laten een simpele indeling zien in voor- en achterkamer, met trappenhuis, zoals het er bij Jos nog steeds uitziet. Het souterrain herbergt nu de slaapkamers en badkamer. Vanaf 1907 staat Meijer Menist hier als hoofdbewoner geregistreerd, geboren in 1859, tot zijn overlijden op 11 december 1940. Met een verblijf van ruim 33 jaar is Menist tot op heden de langste hoofdbewoner van het pand. Ook Meijers zus Anna woont een tijdlang in het onderhuis. Over de familie Menist ben ik niet veel meer te weten gekomen dan dat zijn broer Jacob op de Oude Schans woonde en met ongeregelde handel op de Nieuwmarkt stond. Hij kwam vaak wegens ziekte niet opdagen en ziet er op de foto van zijn marktkaart met diepe groeven in het gelaat afgetobd uit. In 1942 trekt Jacob bij zijn zuster Anna in, een paar maanden later worden beiden gedeporteerd en op 19 november 1942 komen ze om in Auschwitz.

Op de woningkaarten uit het stadsarchief treffen we behalve de hoofdbewoners ook veel alleenstaande mannen aan die enkele maanden tot jaren in het pand verblijven. Meest joodse namen, met beroepen als koopman of handelaar. In totaal staan er op de archiefkaarten zo’n 85 personen vermeld die tussen 1924 en 1953 enige tijd met of zonder gezin in het pand verbleven. Jos neemt alle namen aandachtig in zich op, op zoek naar bekenden. Op de kaart van 2-hoog springt de naam Jacob Hillesum in het oog. Meteen trekt Jos De nagelaten geschriften van Etty Hillesum uit de kast. De geboortedatum blijkt te kloppen, dit moet Etty’s broer Jaap zijn, die na zijn studie medicijnen als coassistent werkte in het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis: ‘Het NIZ werd in augustus 1943 door razzia’s ontmanteld. Het restant ging naar het ziekenhuis Joodsche Invalide aan het Weesperplein. Jaap hoorde hierbij. Eind september, net nadat zijn familie gedeporteerd was, kwam Jaap aan in Westerbork. In februari 1944 ging hij op transport naar Bergen-Belsen. Hij stierf tijdens de treinreis in de buurt van Tröbitz, na de ontruiming van het kamp.’ Zo luidt het zakelijke verslag van Jaaps lot, in een voetnoot in het boek.

Een van de bewoners van 3-hoog was Salomon Snuijff, een alleenstaande man van 28 jaar. Salomon was houthandelaar, net als zijn vader Hartogh en zijn grootvader Salomon. In de tweede helft van de 19de eeuw bezat de oude Salomon samen met zijn broer twee houtzaagmolens aan de Zaagmolensloot, de tegenwoordige Gerard Doustraat. Vanwege stadsuitbreiding besloot de gemeenteraad in 1881 de sloot te dempen. Protest van de daar gevestigde houthandelaren, onder wie de firma Snuijff, mocht niet baten. In 1890 was de demping een feit. Een schuit van de gebroeders Snuijff kon niet op tijd worden verwijderd en werd onder het zand bedolven. Na jarenlange processen kende de gemeente hun een schadevergoeding toe. Salomons grootvader besloot daarop de grond waarop zijn molen had gestaan te schenken aan de vereniging Tesjoengas Jisrael (Hulpe Israëls) voor de bouw van een eigen synagoge. Die synagoge staat nu bekend als de Gerard Dou Synagoge. Salomon en zijn vader Hartogh hebben de oorlog niet overleefd.

Op de bovenste verdieping woonden in de jaren dertig een aantal Duitse dienstmeisjes die rechtstreeks uit Essen, Bottrop en Rheinhausen afkomstig waren. Gedreven door grote werkloosheid en een gunstige wisselkoers kwamen jonge Duitse vrouwen in groten getale naar Nederland om in de onvervulbare vacatures van dienstbode te voorzien. Vaak zien we ze enkele maanden later weer vertrekken naar een volgende, wellicht beter betaalde betrekking. Een enkeling keert – uit heimwee? – terug naar Duitsland.

Tussen de namen heeft Jos niet de oude mevrouw aangetroffen die er al 37 jaar woonde, toen hij en Hubertien er in 1980 kwamen wonen. ‘Wij hebben toen bewust niet doorgevraagd, want een snelle rekensom bracht ons op 1943, dat was zo klaar als een klontje.’ Jos valt even stil. ‘Hoe moet dat zijn geweest om die lege, vaak overhaast verlaten kamers te betrekken? Ik had er een negatief gevoel bij.’

De onbekende man die in 1988 aan de deur stond, is niet de enige overlevende bewoner die terugkeerde naar de plaats van herinnering. Een aantal jaren later wordt er weer aangebeld. De man die nu voor Jos staat, maakt zich direct bekend als Arnold Heertje en vertelt dat hij als kind tijdens de oorlog een of hooguit twee nachten in het huis heeft doorgebracht op zijn tocht langs verschillende onderduikadressen. Zijn nachtverblijf was niet toevallig gekozen, want Arnolds tante Judith Koperberg-Philips, een zuster van zijn moeder, was vlak voor de oorlog op 2-hoog komen wonen. Judith en haar man Levie hebben de oorlog niet overleefd. ‘Hoe veilig was het hier toen eigenlijk voor een kind als Arnold?’, vraagt Jos zich hardop af. Hoezeer het overleven van de oorlog afhing van toeval en geluk wordt op dat moment haast tastbaar. Arnold Heertje kwam onlangs opnieuw even kijken. Bij het afscheid heeft Jos hem op het hart gedrukt om zijn verzameling herinneringen toch vooral te publiceren. Met een laatste blik op de oude deurknop verlaat ik het pand, de verhalen van de vroegere bewoners blijven in goede handen van Jos achter.

 

Deze tweede aflevering van Als huizen konden spreken verscheen voor het eerst in De Plantage, Bulletin van de Vereniging Vrienden van de Plantage, jaargang 16, nummer 4, november 2008.