Das Boot

Das Boot

Met vakantie in Joegoslavië
op de boot een dagje uit
vader verdween in de kajuit
met nog wat vriendelijke heren.

Na een uurtje op het water
ma de kajuit in
ze kwam terug met onze jassen
en een bril vol tranen.
Ze gaf me een Mentos
we zwegen en keken naar de zee
en ik wist dat we alle twee
alleen maar dachten aan vader.

Een storm stak op en het werd donker.
Achter de beslagen vensters van de kajuit
klonk steeds harder het geluid
van zingende mannen.

Naar de wc
ging ik de trap af en ik zag
iets dat ik niet meer zal vergeten:
een vader die ik niet kende
zingend, heel hard zingend.
Tranen van geluk
rolden uit zijn met bloed doorlopen ogen.
Het verleden was terug
dat hij hier aan tafel
met zijn kameraden deelde.
Ze schonken liters witte wijn
schreeuwend van verlangen.
Eindelijk hervonden ze de liefde
voor Duitsland en voor elkaar
en voor alle kameraden die ooit waren achtergebleven.
Heel vluchtig en heel even
was er het geluk
dat ze na de oorlog tevergeefs
probeerden te vergeten.

Eenmaal aan de kade
haalde de tijd ons weer in.
Vader moest terug naar zijn gezin
en dat viel zichtbaar tegen.
Terwijl wij stonden te wachten

Omhelsde hij de mannen langdurig
en daarna nog een keer.
Toen draaide hij zich om en zei
‘Kom, we gaan maar weer.’

Op de terugweg naar ons huisje
hield iedereen zijn mond.
De Mentos ging weer rond
en we luisterden naar de regen.

Pas later besefte ik dat in de oorlog
twintig jaar voordat ik werd geboren
ik mijn vader heb verloren.

Rinke Smedinga

Winnaar Plantage Poëzie Prijs 1999