Laarmans

Laarmans

Ik ben – niets menselijks is mij vreemd –
uw gangen nagegaan in ’t Zand en in de
Kloosterstraat, maar zonder iets te vinden
wat aan mijn tocht een diepere zin verleent,

een wachtwoord van een heilige beminde,
in hout gekerfd, gebeiteld in een steen,
of op een reep karton een naam alleen,
maar niets, geen spoor van u te vinden.

Toen zag ik u, diep weggedoken in uw jas,
geworden wat u hier een leven lang niet was:
een vreemdeling, de buitenstaander die ik ben.

Ik vraag u daarom niet naar de bekende
weg. Zo dwalen wij door deze stad,
niets meer te zoeken maar nog laat op pad.

René van Loenen

Winnaar Plantage Poëzie Prijs 2003