November
November
Met ‘wat een snertweer’, hakt zij winterpeen
in schijfjes op de plank.
De grote pan danst op het vuur.
Verse worst, gekookte ham en spek
in dobbelsteen, platte rib en varkenshiel.
De prei belust op avontuur,
jaagt de erwten uit hun vel.
Nochtans, ik zie het aan haar lippenspel als
zij voorzichtig proeft, het feest lijkt incompleet
‘Ook soep is poëzie’, zegt zij.
Ze bukt zich diep en het donker van de kast
verschijnt wat zij nog mist: potsierlijk
wanstaltig, smoezelig van de klei,
maar eenmaal doorgesneden, wit als
verse sneeuw, geurend als haar lijf.
Devoot zegt zij, terwijl zij haar
kleine handen wast: ‘knolselderij’.
Albert Megens
Winnaar Plantage Poëzie Prijs 1997
.jpeg)
.jpeg)
.jpeg)
