Huizen van de Plantage | aflevering 8

door Ester Wouthuysen, illustratie Joanna Blaisse

Misschien zal het woonhuis eerst niet bijzonder opvallen. Maar als je goed naar de gevel kijkt, zit die zo barstensvol ornamenten dat de buurhuizen er wat saai bij afsteken. Alsof de architect een staalkaart heeft willen tonen van de destijds populaire eclectische bouwstijlen. Het is een bont geheel geworden. De avondwandelaar kan, als er binnen licht brandt, een plafondschildering zien van florale motieven en putti.

Het huis heeft nog iets unieks: voetvegen, de enige in de hele Plantage. Amsterdam was eind negentiende eeuw nog lang niet zo degelijk bestraat als nu. Voeten vegen op de deurmat was vaak niet genoeg, de ergste modder kon je beter buiten van je schoenen schrapen, aan een van de ijzeren schraapstangen aan weerszijden van de voordeur. Architect Gerrit van Arkel (1858-1918) begon zijn loopbaan, nog tijdens zijn avondopleiding aan de Industrieschool van de Maatschappij voor den werkenden stand, op het architectenbureau van Jan Galman, die medio negentiende eeuw verschillende futuristische bruggen over het IJ ontwierp. Daarna kwam hij op het bureau van G.B. Salm, waar hij met Wilke Wilkens (1854-1884) meewerkte aan het Aquarium van Artis.

Het architectenbureau dat Van Arkel en Wilkens samen begonnen, heeft maar kort bestaan. Wel is nog lang de naam Wilkens & Van Arkel gehandhaafd, waardoor Wilkens onterecht ook aan de Plantage Middenlaan 36 is verbonden.

Van Arkel was goed ingevoerd in historische bouwstijlen: met (stads)architect A.W. Weismann maakte hij studie van renaissance-gebouwen in Noord-Holland, wat uitmondde in de zevendelige uitgave Noord-Hollandsche Oudheden (1890-1905). Later raakte hij geïnteresseerd in de Jugendstil, zoals bijvoorbeeld de diamantslijperij van Soep & Co aan de Nieuwe Achtergracht 17-23 (1906) en de Beurs voor den Diamanthandel op het Weesperplein (1910). Denk ook aan het uit de kluiten gewassen kantoorgebouw van de EHLB aan de Leliegracht hoek Keizersgracht (1905).

Plantage Middenlaan 36, dat met de hardstenen onderpui meegerekend vier bouwlagen telt, vertoont een grote variëteit in vormen, kleuren en materialen. Zo verschillen de vensters in grootte en indeling, zijn de bakstenen afgewisseld met witte tufstenen speklagen en komen er ambachtskunsten zoals steenhouwerswerk, siersmeedwerk, glas-in-lood en houtsnijwerk samen. De gevel is plastisch met een vooruitspringende erker en balkonnetjes, kenmerkend voor architectuur van na 1888. Neo-gotisch zijn de driepas-versieringen boven de ramen van de bel-etage, de waterspuwers en de bakstenen ‘zuiltjes’ als nabootsing van de middeleeuwse trapgevel. De rondboograampjes op de ingangspartij gaan terug op de renaissance, de consoles en de vorm van het dak van de erker op de barok.

Stille weldoener

Opdrachtgever en eerste bewoner van het in 1892 opgeleverde herenhuis was de handelsman en stille weldoener Georg Hendrik Hagedorn (1850-1909), die er woonde met zijn vrouw Johanna Hendrika Bergh en hun dochter. Hij was bekend als mede-oprichter en sinds 1890 directeur en president-directeur van het op- en overslagbedrijf Het Vriesseveem. Hiervoor bouwde Van Arkel het kantoor op Rokin 58 (1898).

Na Hagedorns overlijden betrok Fischel Friedmann (1868-1923/’24), oprichter en directeur van Friedmann's Diamanthandelmaatschappij, met zijn Russische vrouw Sossia Pissarewsky en hun zeven kinderen het huis. Bar-mitswa-feesten van drie van hun zoons werden thuis gevierd en in de pers aangekondigd.

In 1924 kwamen diamanthandelaar Abel Schwartz uit Sint Petersburg en zijn Duitse (tweede) vrouw Jenny Gitkin met hun vijf kinderen er wonen. Schwarz zette zich in voor de uit Rusland naar Polen gevluchte Joden. In 1943 is het hele gezin gedeporteerd en in Sobibor omgebracht.

Vanaf die tijd was het woonhuis in gebruik als rusthuis. Sinds 1951 bestierden verpleger en advocaat Theodorus C.M. Grefkens en zijn vrouw G.J. Fransen samen ‘Huize Grefkens’, dat tien jaar later onderdeel werd van de Stichting Verpleegtehuizen. Medio 1964 ging het onder de naam ‘Rusthuis Plantage’ zelfstandig verder.

De laatste decennia heeft het pand weer louter een woonfunctie. Het is nu een Rijksmonument.