Huizen van de Plantage | aflevering 5

Illustratie: Joan Blaisse
Het monumentale woonhuis op de hoek van de Plantage Kerklaan met de Henri Polaklaan heeft een van de voornaamste portieken uit de buurt. De tegenstelling met de in aflevering 3 besproken portieken op de Plantage Muidergracht 27 kon niet groter zijn. Het portiek is overigens een bouwkundig fenomeen, interessant genoeg om eens een aparte aflevering aan te wijden. Opdrachtgever van de halfvrijstaande stadsvilla uit 1881 was Johannes Wouter Visser (1840-1907). Hij was een stoomwerktuigkundige en in 1878 medeoprichter en eerste directeur van de Kweekschool voor Machinisten. In 1887 verhuisde deze school van Oostenburg naar de Plantage Muidergracht, op een steenworp afstand van zijn huis. Met zijn gezin betrok hij een van de vier woningen. De overige bewoners van het eerste uur zijn niet bekend, maar begin twintigste eeuw woonde er J. Tas Ezn, Vice-Consul van Italië en G.H.J. Kühling, eigenaar van een garen-, band- en manufacturenfirma aan het Rapenburg 38-40. Ook waren er verschillende bedrijven gevestigd: vanaf 1925 het pianoverhuurbedrijf van M.J. Endenburg en een firma die bontjassen en later ook meubels verkocht onder de naam Maison Paul.
Driehoekige frontons
Op de bouwtekening uit 1881 die op het Stadsarchief wordt bewaard, betitelde architect J.W. Meijer het pand als ‘dubbel woonhuis’, maar feitelijk gaat het om twee dubbele woonhuizen. Het brede, uitnodigende portiek leidt met zijn acht treden naar vier naast elkaar gelegen voordeuren. Het is een indrukwekkend pand, zeker, maar op de oorspronkelijke bouwtekening is het nog rijker gedetailleerd, met een sierlijk torentje op de hoek van de Henri Polaklaan. Al vóór de bouw moet besloten zijn tot een meer ingetogen uiterlijk, maar door het ontbreken van prenten of foto’s uit die tijd is dat niet vast te stellen. De gevel is voornamelijk in classicistische stijl uitgevoerd met als kenmerk de symmetrie, maar heeft ook klassieke elementen zoals pilasters en driehoekige frontons. Boven het natuurstenen basement met souterrainramen zijn drie bakstenen bouwlagen (bel-etage, eerste en tweede verdieping). Het geheel wordt afgesloten door een rechte daklijst. Het mansardedak wordt doorbroken door oeil-de-boeuf-ramen en een dakkapel midden boven de ingang. Die benadrukt de verticale geleding, net als de vier geblokte lisenen (ondiepe pilasters) aan de uiteinden en aan weerszijden van het middenrisaliet (vooruitspringend gevelgedeelte), die tot aan de daklijst doorlopen. Opvallend zijn de ronde hoeken aan weerszijden van het huis. De paarsgewijs geplaatste ramen zijn overal van gelijke hoogte. Twee brede balkons verrijken de eerste verdieping.
Architect Meijer
Hoewel architect Jan Wilhelm Meijer (1845-1922) veel bouwwerken op zijn naam heeft staan, zullen weinig mensen opveren bij zijn naam. Meijer groeide op aan de Hoogte Kadijk in een Nederlands Hervormd gezin als oudste van vijf zoons. Zijn vader was goudsmid. Meijer werkte in Amsterdam vooral voor Joodse opdrachtgevers. In 1878 ontwierp hij voor de gebr. Boas aan de Nieuwe Uilenburgerstraat 173-175, toentertijd de grootste stoomdiamantslijperij van Europa. De slijperij telde 357 molens, die eveneens door Meijer waren ontworpen. Het jaar daarop bouwde hij voor Samuel de Haan in de Valkenburgerstraat 186 de ‘machinale Paaschbroodbakkerij De Haan’. In 1884 vergrootte hij de diamantslijperij van Van Moppes aan de Plantage Middenlaan 14 (begin jaren 1970 afgebroken; op die plek staat nu het kantoor van Artsen Zonder Grenzen). In de jaren ’80 verrezen de slijperijen voor J.M. Beffie aan de Verversstraat op de nummers 16-18 en 57, voor B.D. Coelho aan de Nieuwe Achtergracht 104 (slijperij De Eendracht) en voor Eduard van Dam aan de Albert Cuypstraat 2-6. Tot ongeveer 1870 werd het diamantvak thuis uitgeoefend, maar na de ontdekking van de diamantvelden in Zuid-Afrika – de ‘Kaapse Tijd’ – groeide de branche spectaculair en werd het een lucratieve industrie. Boas en Van Moppes waren de eerste diamantairs die hun eigen stoomslijperijen lieten bouwen.
.jpeg)
.jpeg)
.jpeg)
