Huizen van de Plantage | aflevering 3

Illustratie: Joan Blaisse
In de Plantage is veel onder architectuur gebouwd, vaak door bouwmeesters van naam. Maar dit ensemble aan de Plantage Muidergracht werd in 1877 ontworpen door Antonius Albertus Swenger (1842-1905), een aannemer/timmerman, wat in deze buurt ook veel voorkwam. Opdrachtgever was de tapper/slijter Nicolaas Johannes Hoogland (1822-1878).
Verspreid over de stad zijn ‘eerste stenen’ te vinden, vaak gemetseld door een zoontje van de eigenaar, een gewoonte die in de 19de eeuw een grote vlucht nam. In andere landen is het gangbaar dat de architectennaam in de pui wordt vereeuwigd. Bij dit ensemble werd in het midden van de gevel, net iets boven ooghoogte, als het ware een eerste steen geplaatst (in dit geval een grote plaat hardsteen met inscriptie) op 21 juli 1877 door A.A.J. Hoogland. Een huzarenstukje moet dat geweest zijn voor het amper anderhalf jaar oude kleinzoontje van de opdrachtgever.
Deze uit Muiden afkomstige tapper had zich in 1866 aan de Plantage Muidergracht gevestigd. Daar dreef hij café Vredebest en verwezenlijkte vervolgens ernaast dit woningbouwproject. Zelf zou hij er niet lang plezier aan beleven, kort na de oplevering overleed hij.
Zijn zoon Johannes Gerardus Hoogland (1847-1902) begon ook als tapper, maar werd later timmerman. Het ‘eerste steenleggertje’ was de oudste van vier zoons van hem en zijn vrouw Maria Swenger (1848-1887), beiden van katholieke huize. De gezinnen Hoogland en Swenger – ze hadden een dubbele familieband doordat Maria Swenger een zus was van aannemer Swenger die op zijn beurt getrouwd was met een zus van Hoogland – gingen niet in de nieuwe huizen wonen. Swenger, die zich intussen tot succesvol makelaar had ontwikkeld, zorgde voor de verhuur van de huizen aan het ‘fraaist gelegen gedeelte’ van de Plantage Muidergracht tot hij de panden in 1894 verkocht. In zijn gezinsleven speelde zich een doorlopend drama af: van de negen kinderen overleden er zeven op jonge en jongvolwassen leeftijd.
Revolutiebouw
Op het Stadsarchief wordt de bouwtekening bewaard: ‘Plan voor drie woonhuizen met bovenverdiepingen te bouwen in de Plantaadje Muidergracht op het terrein kadastraal genummerd H3645, thans V12-13, in eigendom toebehoorend aan N.J. Hoogland.’ Als ontwerper wordt A.A. Swenger genoemd.
De huizen zijn als eenheid ontworpen, een drieluik met het middelste huis als belangrijkste deel. De ramen worden benadrukt door driehoekige frontons en een grotere en hogere dakkapel dan de andere huizen. Er zijn zes bouwlagen, een souterrain, bel-etage, waarboven drie verdiepingen en een zolder. Het zadeldak, evenwijdig aan de straat, strekt zich over de drie panden uit. De gevel is grotendeels uit baksteen opgetrokken, terwijl de basis en het middengedeelte tot de hoogte van de bel-etage in het veel kostbaarder hardsteen is uitgevoerd. De bouwstijl is eclectisch, met elementen uit de klassieke oudheid. Op dergelijke door een aannemer ontworpen woningbouw was de later gemunte term ‘revolutiebouw’ vaak van toepassing.
Het pand heeft vier portieken. De buitenste hebben elk twee voordeuren, bestemd voor de beneden- en bovenwoningen. De twee portieken in het middelste pand zijn abnormaal smal – een architect zou zo’n oplossing niet gauw kiezen – en leiden elk naar één deur. Links geeft toegang tot de hoger gelegen etages, zoals nog te zien is aan het woord ‘bovenhuis’ dat in de hardstenen gevel in reliëf is aangebracht en tegenwoordig deels achter de liefdeloos geplaatste kunststoffen huisnummerborden 25A, 25B, 25C schuilgaat.
Het was niet mogelijk te achterhalen wie de bewoners waren. Dat is deels te wijten aan de telkens veranderende huisnummers, wat te maken heeft met de bouwactiviteit in de tweede helft van de 19de eeuw in deze buurt. Bovendien werden in die periode de even en oneven nummers gescheiden, omdat er nu ook aan de overkant (de evenzijde) gebouwd werd. Vast staat wel dat er op dit stukje van de Muidergracht, tussen Park- en Kerklaan, veel diamantbewerkers woonden.
.jpeg)
.jpeg)
.jpeg)
